Draaistel

Uit MAT'54 Hondekop in 3D
Ga naar: navigatie, zoeken

Draaistellen

Anders dan bij oudere treinstellen rust elke rijtuigbak op zijn eigen draaistellen. Alle rijtuigen bevatten 2 draaistellen. De beide binnenste draaistelllen waren als loopdraaistel uitgevoerd, de aandrijving gebeurde vanuit de draaistellen bij de bestuurderscabine. De elektrische installatie en de motoren werd geleverd door Heemaf Hengelo.

Wielen

Treinwielen zijn niet cilindrisch maar conisch van vorm om de as sturing te geven ten opzichte van de rails: een as met conisch afgedraaide wielen is zelf-centrerend. Zodra de as, vanuit de middenpositie, opzij verplaatst ontstaat er een rolstraalverschil tussen de beide wielen. Omdat hun rotatiesnelheid gelijk is, wordt de afgelegde weg verschillend, wat zorgt voor een stuurcorrectie. In de praktijk betekent dit dat een treinas nooit rechtlijnig beweegt, maar altijd een soort `vetergang’ beschrijft. Locomotieven en wagons hebben inderdaad dezelfde wielen van dezelfde staalsoort. De wrijvingskracht bij treinwielen hangt primair af van de aslast, en die is bij een locomotief vaak hoger. De remweg is vaak kritischer dan de optrekweg en -tijd. Stoomlocomotieven hadden vaak nog wel grotere wielen (met dus een groter contactoppervlak) dan wagons.Gebandageerdwiel.png

Wiel(stellen)

Het wielstel bestaat uit de volgende hoofdonderdelen: - wielas met aan ieder uiteinde een astap - volwielen óf wielen met een wielband (gebandageerde wielen) . - aspotten met rollagers.

Een wielstel heeft meerdere functies, onder andere: - geleiden van het spoorvoertuig over de spoorbaan - dragen van het volledige gewicht van het voertuig en de lading - trek- en remkrachten overbrengen die nodig zijn voor het rijden en afremmen.

Een spoorwiel heeft een schuin profiel; de schuine kant van het loopvlak helpt de trein om beter door bogen (bochten) te rijden en beperkt het slingeren (de vetergang) van de trein.

Flens: de opstaande rand aan de binnenkant van het treinwiel. Door de flens aan het wiel blijft de trein de rails volgen; de maatvoering en staat van de flens moeten volledig in orde zijn om ontsporing te voorkomen.

Een wiel kan gebandageerd zijn of een volwiel zijn. ‘Gebandageerd’ betekent dat er een stalen wielband om de flens gekrompen zit; een volwiel bestaat uit een geheel van wiel en wielband.

De wielas: op de wielas, gedraaid uit een stuk hoogwaardig staal, zijn twee wielen geperst.

De wielas is even dik als het gat waar de as in moet en wordt met veel kracht in het gat geperst. Dit gebeurt zonder verhitting van de wielen en/of de as; de wielen zijn in de regel ‘koud’ op de as geperst.

Op iedere astap (gedeelte van de wielas dat uitsteekt buiten ieder wiel) zijn aslagers geplaatst. Over de astap plus lagers is een aspot geschoven.

Aspotten

De aspotten vormen de verbinding tussen het rollende gedeelte (wielstellen) en het stilstaande gedeelte van het spoorvoertuig (bij een vaste as: via de asbalansen aan het onderstel; bij een draaistel: via het draaistelframe).

De aspotten dragen het totale gewicht van het spoorvoertuig en brengen dit over op de astap.

De eisen die aan de aspotten worden gesteld zijn hoog omdat ze de niet afgeveerde schokken en stoten van de wielstellen krijgen te verwerken. De aspot is aan alle zijden afgesloten; het smeermiddel blijft zodoende in de pot, vocht en vuil er buiten.

Afhankelijk van de positie onder het spoorvoertuig kan op de aspotten extra apparatuur zijn aangebracht: - snelheidsgevers voor de ATB-installatie én snelheidsmeter - snelheidsgevers voor de antiblokkeerinstallatie (ABI) - retourstroom-/aardingsborstels.

Aslagerpot